Op zoek naar de oorsprong van onze vooroordelen

We hebben ze bijna allemaal: vooroordelen. Maar waar komen ze vandaan? Een nieuw boek legt uit dat we ze aan vergeten en verdrongen (wetenschappelijke) onderzoeken te danken hebben en legt die onderzoeken bloot.

“Regelmatig betrap ik mezelf op gedachten die je racistisch zou kunnen noemen,” zo schrijft Linda Roodenburg in haar boek ‘Zie de mens’. “Of ten minste bevooroordeeld. Als mijn fiets is gestolen verdenk ik meteen onze Marokkaanse achterbuurjongen, als de loodgieter een Surinamer blijkt te zijn, vraag ik me af of hij die klus wel binnen de afgesproken tijd klaart. En niet altijd ten onrechte, ook dat nog (…) Maar wat moet je ermee? Negers zijn lui en Marokkanen zijn crimineel, denken witte Nederlanders. Hollanders zijn ongastvrij, vinden nieuwkomers.” Wij mensen zijn er steengoed in: andere mensen in een hokje duwen. En hoe groter de afstand tussen onszelf en die mensen is (en hoe minder we van die mensen weten) hoe gemakkelijker het is om ze over één kam te scheren. Maar hoe komen we eigenlijk aan die vooroordelen die stuk voor stuk insinueren dat wij net ietsje beschaafder, ietsje eerlijker, ietsje hardwerkender, kortom ietsje beter zijn dan de rest, vandaan?

Het antwoord op die vraag verrast je misschien een beetje. Want wanneer we willen achterhalen waar onze al dan niet terechte vooroordelen vandaan komen, komen we al gauw in de wetenschap terecht. En niet tussen de wetenschap waar we trots op zijn. Nee, als het om de fundering van onze vooroordelen gaat, belanden we in andere kringen. Kringen die we liever vergeten of verdringen. Die kringen kunnen we heel kernachtig, in één woord samenvatten: fysionomie. Oftewel het zoeken naar verbanden tussen uiterlijke kenmerken en mentale eigenschappen.

Een bekend voorbeeld van fysionomie treffen we in de achttiende eeuw aan. De anatoom, schilder en beeldhouwer Petrus Camper (1722-1789) ontwikkelde de Camper-gezichtsdriehoek (zie afbeelding helemaal bovenaan dit artikel) die hem in staat moest stellen om mensenrassen uit alle uithoeken van de wereld zo goed mogelijk te vereeuwigen. “Deze steekt als volgt in elkaar: bekijk een gezicht van opzij. Trek een rechte lijn tussen de onderkant van de neus en de gehooringang. Trek ook een lijn tussen de voortanden van de bovenkaak en het meest vooruitgestoken punt van het voorhoofd. Deze twee lijnen vormen een hoek die bij de aap aanzienlijk kleiner is dan bij de mens, maar ook verschillen vertoont tussen mensen onderling. Zo had een door Camper gemeten orang-oetan een hoek van 58 graden, een Angolees en een Kalmuk allebei van 70 graden en bij Europeanen constateerde hij een hoek van 80 graden.” Hoewel Camper – die alle mensen als gelijkwaardig beschouwde – de gezichtsdriehoek niet ontwikkeld had om mensen te classificeren werd deze al snel wel zo gebruikt. “Hij was geen fysionoom en verbond dan ook geen talenten of gebreken aan de door hem gemeten verschillen. Maar door zijn grote internationale reputatie als wetenschapper werd zijn gezichtsdriehoek door anderen in stelling gebracht voor het onderscheiden en classificeren van mensenrassen. Hoe kleiner de gelaatshoek van een mens, des te lager zijn positie in de evolutie. Primitieve volken, waaronder Aborigines, Vuurlandindianen, Papoea’s en Bosjesmannen werden op grond van hun veronderstelde kleine gezichtsdriehoek op de onderste trede van de beschavingsladder geplaatst, net boven de hogere aapsoorten. De gemiddelde gelaatshoek van de Europeaan werd in grootte alleen overtroffen door die van beeldhouwwerken uit de klassieke oudheid.”

Een andere bekende naam die vaak in één adem met de fysionomie genoemd wordt, is criminoloog Cesare Lombrosco (1835-1909). Hij was ervan overtuigd dat criminelen te herkennen zijn aan fysieke kenmerken, zoals bijvoorbeeld brede kaken en een asymmetrisch gezicht. Het moge duidelijk zijn: het zijn conclusies zoals deze die vooroordelen in de hand werken.

En dan, in 1859, publiceert Charles Darwin zijn wereldberoemde evolutietheorie in het boek ‘On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life‘. Darwin schreef over hoe verschillen tussen soorten ontstaan door natuurlijke selectie. Maar wie het boek las, hield één prangende vraag over: hoe ging het doorgeven van eigenschappen van generatie op generatie nu precies in zijn werk? Pas jaren later wordt duidelijk dat de ontwikkeling van verschillende soorten het resultaat is van mutaties in genen. “Dit leidde onvermijdelijk tot ideeën en fantasieën over verbeteringen van de eigen soort door genetisch ingrijpen, zoals dat al eeuwenlang bij paarden, honden en andere nuttige dieren werd gedaan.” En zo ontstond – op basis van de vooroordelen waar de wetenschap ons eerder al aan had geholpen – het idee dat we tegenwoordig eugenetica of rasverbetering noemen. En dat idee kreeg voet aan de grond. “In 1907 startte in de Verenigde Staten een sterilisatieprogramma dat tot 1963 doorging en waarvan rond de 65.000 mensen het slachtoffer werden: in een aantal staten gold een trouwverbod voor epileptici, criminelen en zwakzinnigen.” En ook in Europa werden maatregelen getroffen. Zo werden Deense vrouwen met een IQ lager dan 75 gesteriliseerd. En in Zweden gebeurde datzelfde met ruim 62.000 laagopgeleide vrouwen uit arme, niet-inheemse bevolkingsgroepen. Het was nog maar de opmaat voor wat er enkele decennia later tijdens de Tweede Wereldoorlog door Adolf Hitler werd bevolen

Gepubliceerd op: 29-10-2014